Hij hoort aan het geluid van haar deur dat ze zich goed in de solden heeft gesmeten. Het is niet haar gewoonlijke, vlotte sleuteldraai en elegante binnenkomstzwaai. Ze neemt kleine, onhandige pasjes, botst met geweld links en rechts tegen de deurstijlen en dromt met overvolle zakken eerst de gang en daarna de living van hun appartement binnen. Hij bekijkt haar buit vanuit zijn leesfauteuil: vijf grote zakken in haar handen. In de gang staan er nog twee. Zaterdagnamiddag gaat zijn vrouw al eens graag winkelen, maar nu zijn de zakken wel heel erg groot, vindt hij. Zo groot dat hij ervoor recht gaat staan.
‘Wat heb je nu allemaal gekocht?’, vraagt hij, terwijl hij zijn vrouw een zoen geeft.
‘Wolken. Zeven. Mooie witte zomerwolken’.
De man kan van schok niets uitbrengen. Wolken zijn toch lucht, daar kan je toch niet voor betalen. Hij wil zijn vrouw niet meteen voor zot verklaren en gaat op inspectie uit. Hij wijst eerst naar de zakken, gaat een stap dichterbij en tilt ze een voor een op. De zakken wegen nauwelijks iets, maar puilen uit van een wit, compact dons, dat de zakken heel bol doet staan en het elegant dragen van zeven tegelijk inderdaad onmogelijk maakt. Hij pookt in een van de zakken met zijn neuspeutervinger, maar voelt niet meer dan een kringel lucht die zijn vinger even lijkt te omsluiten als een babyhandje en dan weer loslaat.
‘Wat zit daarin?’, vragen zijn ogen maar in plaats van zijn mond. Zijn vrouw herkent zijn vraagtekens voor pupillen.
‘Ik was het miezerige weer beu en heb wolken gekocht’, zegt zijn vrouw opgewekt, duidelijk ook in de wolken met haar geweldige idee.
De man probeert zijn vertwijfeling te verstoppen achter zijn neergeslagen wimpers. Hij steekt zijn hand nogmaals in een zak en grabbelt in het rond. Hij speelt wat met de lucht die tussen zijn vingers glijdt. Eindelijk voelt hij iets kriebelen tussen de compacte lucht, hij haalt het eruit: het kasticket. Lucht van 50 euro per zak. Zeven keer vijftig euro is 350 euro. ‘Je hebt echt lucht gekocht!’, de vijf woorden liggen klaar op zijn tong, hij laat ze briesend door zijn neusgaten ontsnappen.
Zijn vrouw ziet hem in zijn hoofd de rekening maken. ‘350 euro? Ja, dat is eigenlijk nog een koopje. Gelukkig weten niet veel mensen van het bestaan van deze winkel. Hij ziet er dan ook niet als een winkel uit, het is gewoon een huis waar je moet aanbellen. En dan nog verandert hij elke week van locatie’.
‘Je hebt je zo in het zak laten zetten, echt waar’, wil hij zeggen. Maar zijn vrouw is niet van haar stuk te brengen. Haar blik verraadt geen enkele twijfel, ze trilt niet van onzekerheid. Nee, ze is zeker van haar aankoop. Zoals altijd. Dat ziet hij. Ze doet nooit miskopen. De wolken moeten dus ook perfect passen binnen hun budget, binnen hun verwachtingen.
De man vindt deze verkoperstreek nog veel leper dan de crèmes en zalfjes die vrouwen doorgaans aangesmeerd krijgen. Dit is gebakken lucht van de zuiverste soort. Hij ritst zijn mond dicht voor zijn giftige woorden schade kunnen aanrichten op het pasgeboende parket. Hij heeft ondertussen geleerd dat zijn vrouw meestal een paar minuten het voordeel van de twijfel verdient. Nu die om zijn, doet de man eindelijk zijn mond open. Hij wil antwoorden.
‘En hoe werken die dingen dan precies?’, vraagt de man aan zijn vrouw. ‘De meneer van de wolkenwinkel heeft gezegd dat ik de zakken gewoon moet openzetten op het balkon en de wolken zullen dan boven mij blijven hangen.’ ‘Overal waar je gaat?’ ‘Ja, overal waar ik ga zal het mooi weer zijn.’
De man plaatst zijn hand in pistoolhouding onder zijn kin en vraagt om een demonstratie. Zijn vrouw zet de zeven opbollende zakken op het balkon, doet de knopen los. De wolken maken zich langzaam los uit de zakken, duwen zich af tegen de randen om hun bolle achterwerk eruit te krijgen en zweven naar boven in de richting van de grauwe hemel. De man gelooft zijn eigen ogen niet. De witte wolken trekken de grijze hemel open. Ze verjagen de donderwolken, regenslierten en depressietapijten tot alleen een helderblauwe hemel overblijft. De zon kan nu rechtstreeks haar armen naar hen uitstrekken en vriendelijk hun wangen aaien. Een privé piepgat tot aan de zon.
De man is gefascineerd. Zijn vrouw licht haar aankoop meer toe. ‘De wolken zijn niet alleen goed tegen winterdepressie’, heeft de verkoper gezegd, ‘ze stimuleren ook de creativiteit’. Zijn vrouw legt uit dat ze deze soort wolken (cumulus dansante) genomen heeft, omdat die haar intellectueel zullen uitdagen en creatief zullen prikkelen. De man weet hoe vaak zijn vrouw gefrustreerd raakt als de wolken een luie dag hebben en alles uit haarzelf moet komen. Ze heeft altijd inspiratie met hopen, maar het is geven en nemen en als de wolken meer zouden meewerken, dan zou ze zeker meer zien.
De wolken halen kunstjes uit. De vrouw vindt dit allemaal vanzelfsprekend. De man niet. De wolken overstijgen zijn verwachtingspatroon met 300 procent. Hij wordt er opgewonden en actief van. Hij haalt snel twee strandstoelen uit de ingemaakte kast en zet ze naast elkaar op het balkon. Man en vrouw zetten zich in de zon. De man heeft al gauw zijn zonnebril nodig. En een trui op overschot. Een eerste zweetdruppel ontwaakt uit zijn winterslaap en maakt zijn collega’s wakker. De wolkenverkoper had niet gelogen. De wolken zijn heel actief. Ze worden een paard, een man met een hoge hoed, zelfs een kasteel met vlaggen en dit in sneltempo. De man en zijn vrouw spelen ‘ik zie, ik zie’ en raken het niet snel beu.
De vrouw leest van het gezicht van haar man dat hij de 350 euro al lang is vergeten. ‘Als je wilt, kan ik ze ook op jouw naam laten inschrijven. Dan splitsen ze in de helft als we niet samen zijn en dan neem je ook overal een stralend blauwe hemel en lentezonnetje met je mee’. De man twijfelt. Hij is inwendig helemaal aan het flippen. Hij vindt de wolken fantastisch. Ze geven hem energie, hij krijgt er een blosje van op zijn wangen, ze verjagen zijn zorgen en maken hem gelukkig. Maar er ligt nog een ‘maar’ op zijn tong. Hij duwt ze naar voren, het luchtruim in.
‘Maar… wat als ik nu eens heel triestig wil zijn en ik me wil wikkelen in een deken van zelfmedelijden, bijgestaan door druilerige zondagsweer?
‘Dat kan altijd nog. Dan doe je de gordijnen dicht en zet je je huil-cd op’.
‘Wat als ik aan het rennen ga, kunnen ze me dan nog bijhouden?’
‘Natuurlijk, wolken kunnen een serieuze snelheid halen, als ze willen. Zie je hoe snel ze zich ombouwen van de ene figuur naar de andere? Ze zijn sneller dan joggers’. De man ziet in een flits zichzelf rondjes rennen met zijn privéwolken aan een onzichtbaar touw boven hem. Het is een grappig gezicht. Hij vindt het een fijne gedachte.
De man moet ook aan de buren denken en aan zijn collega’s. Wat gaan zij hier wel niet van denken? Zullen ze hem willen na-apen? Wat moet er dan van het weer worden? Zijn vrouw had natuurlijk voorzien dat hij overvallen zou worden door morele bezwaren. ‘Als alle mensen getemde wolken gaan beginnen kopen? Dan zitten we inderdaad met een serieus klimaatsprobleem, misschien wel de ondergang van de wereld. Al zullen er ook wel mensen regenwolken bestellen. Zoals de boeren voor hun veld. En misschien zullen er wolken voor kwaad opzet gebruikt worden, ja. Zit daar nu maar niet mee in en geniet van onze vakantiedagen. Ik heb de wolken voor vijf dagen besteld, genoeg om tegen maandag op kantoor een mooi bruin kleurtje te hebben.’
De man kijkt naar de wolken. Er lijkt er een op een dikke logge walvis. De walviswolk glijdt traag en toch snel, hij klieft door het blauw van de lucht, praat zijn eigen mond voorbij en laat hem achter. De walvis is nu slechts een dikke streep. De vrouw ziet er al het begin van een pelikaan in. De man kijkt naar zijn vrouw en bedenkt dat geluk dan toch misschien te koop is.




