Archief voor KORTVERHALEN

HET GORDIJN

‘Pak me dan, als je kan!’ Gerlinde loopt rondjes om de tafel, haar kont steekt ze hierbij uitdagend naar achter. Reinhart is een fervent lezer –de zeven leesbrilletjes van verschillende prijsklassen verspreid over heel het appartement zijn daarvan getuige-, maar bij het zien van de ronde billen van zijn vrouw die op en neer wiebelen onder haar vuurrode babydoll, legt hij zijn ‘Tirza’ vlug opzij. Hij duikt haar achterna als een kikkertong achter een sappige bromvlieg. Reinhart komt al snel in een aardig loopritme, maar zijn sedentaire leventje doet hem toch de das om. Hij voelt dat zijn ademhaling niet akkoord gaat met deze onverwachte inspanning. Gerlinde daarentegen is erg snel, hij is er aangenaam door verrast, de rondjes ‘start to run’ zijn dan toch ergens goed voor geweest. Ze is hem steeds een armlengte voor en haar voorsprong wordt nog groter. Ze is zo snel dat ze bijna een hele tafelronde vooruitloopt op hem en plots de rollen omgedraaid zijn. Hij wordt de prooi, zij de jager. Ze lachen allebei bij deze vaststelling. Gerlinde hoog en snel, Reinhart in zijn vuist, die hij nog harder samenbalt, alsof hij er kracht uit wil halen. Hij heeft het geestelijke altijd boven het fysieke verkozen, maar hij blijft een man. Zijn oerinstinct doet hem nog een tandje bijsteken om toch minstens de billen van zijn vrouw aan te tikken en het spelletje met een zege af te ronden.

Dan overvalt het hem plots. De fysieke inspanning heeft zijn hoofd helemaal leeggemaakt. De nutteloze en nuttige data die hij erin opslaat zijn samen met het zweet uit zijn lichaam verdampt, de letters zijn uit zijn kop geflikkerd, de mist is opgetrokken. Tot de waarheid plots alle ademruimte krijgt en helemaal bloot komt te liggen in zijn achterkamers: hij is niet gelukkig. Lopen heeft geen zin meer, hij vertraagt, laat zijn vrouw de finish halen, gaat over naar snelwandelen en blijft uiteindelijk zelfs stilstaan. Zijn hand slaat hij voor zijn ogen om zijn tranen te verbergen. Hij is niet gelukkig. Eigenlijk leest hij niet eens graag. Toch geen moeilijke fictieromans. Al die letters in zinnen gegoten. Liever kijkt hij naar strips, maar dat hebben ze niet in huis. Hier heerst het woord. Nee, eigenlijk leest hij helemaal niet graag. Hij houdt er wel van wanneer mensen naar hem kijken terwijl hij leest. Hij vindt het fijn als ze denken dat hij intelligent en gedistingeerd is. Dat hij het gemaakt heeft in zijn leven. Maar alleen Gerlinde kijkt soms eens naar hem wanneer hij ’s avonds zit te lezen.

Zijn vrouw voelt meteen dat er iets mis is, ze kent haar vent door en door. Ze fluoresceert in gedachten de symptomen uit de gekende lijst en komt al snel tot een besluit: hij heeft verdriet. Ze pakt hem bij zijn arm en begeleidt hem naar de zetel. Reinhart houdt nog steeds zijn handen voor zijn ogen, maar spreken kan hij wel al terug. ‘Weet je nog, Gerlinde, die week dat de gordijnen naar de droogkuis waren en iedereen in ons appartement kon binnenkijken, kon zien welk canvasprogramma bij ons opstaat, welk Piet Huysentruytzout we op onze patatten doen, welke moeilijke boeken we lezen, welke verfijnde interieursmaak we hebben, op welke designstoelen we zitten, die week… wel, toen was ik gelukkig’. Ook nu begrijpt Gerlinde haar man volledig, ze zit namelijk met hetzelfde gevoel: die week hadden ze van elke minuut genoten, bekeken had ze zich het meest voldaan en levend gevoeld in tijden. Gerlinde neemt het gezicht van Reinhart in haar handen, kijkt in zijn ogen en knikt begrijpend. ‘Dan zullen we dat meteen oplossen’, zegt ze. Ze gaat naar de keuken en neemt twee scharen, zet vervolgens de bruidsmars op en geeft een schaar aan Reinhart. Ze weten wat gedaan moet worden en beginnen er meteen aan. Ze knippen. Eerst het livinggordijn, dan het keukengordijn. Ze knippen zich een weg naar het geluk.

>> Boeski

Reacties (3) »

DE VULKAAN (kortverhaal)

Wel drieduizend keer had Michiel bij zijn moeder gezeurd om een bouwpakket ‘Make your own volcano’. Evenveel keer had ze paniekerig ‘nee’ gezegd, nog voor hij met educatieve argumenten kon aanzetten. Haar kleine jongen, in zijn laatste doodsreutel versteend onder een dikke laag lavakots. Dat was het enige waar zijn moeder bij een vulkaan aan kon denken. Op zijn dertigste had Michiel gelukkig het overbeschermende patchworkdeken van zijn moeder afgeworpen en kocht hij zijn grote droom. In dezelfde winkel waar hij steeds kwijlend de etalageruit had aangedampt.

Michiel streelde de doos zachtjes langs haar rug. Hij was niet het type om de dingen te strelen, zelfs geen wangen of kattenruggen, maar vandaag maakte hij een uitzondering. Voorzichtig maakte hij de lip van de doos open en haalde er de benodigdheden uit. Plakkaatverf. Een vulkaanvorm. En een handleiding om de vulkaan te laten uitbarsten. De eerste teleurstelling was een feit. Hij had gehoopt op een groter model. In zijn gedachten was die vulkaan steeds reusachtig geweest, woest rode brij spuwend over de randen heen. Mooi en meedogenloos tegelijk. Hij besefte dat hij toen gewoon kleiner moest zijn geweest, waardoor de vurige berg machtiger had geleken. Hij zou wat door zijn knieën zakken, als het moment daar was. Terug in de pasvorm van zijn jongetjeslijf kruipen en het spektakel van net boven de tafelrand aanschouwen. Hij kon haast niet wachten.

Hij ging meteen aan de slag, maar handelde traag. Hij wou er tot in de toppen van zijn tenen van genieten. In de handleiding stond dat je het proces oneindig kon herhalen, maar zijn vulkaan zou slechts eenmaal spuiten, kort en hevig. Allesverwoestend. Dat had hij zo gepland. Het moest dus perfect zijn. Al bij het schilderen van de plaasteren vulkaan verloor hij zich in details. Was dat wel het juiste bruin? Toch nog even met wat wit mengen. Laat ik hier al wat vuurrood dreigen? Is de mond onheilspellend genoeg? Toen de vulkaan eindelijk af was, geschilderd en met de haardroger gedroogd, aarzelde Michiel om het feest in gang te steken. Hij bekeek ze nog eens goed, zijn vulkaan. Ze was prachtig. Ze zag eruit als een vulkaan die al wat had meegemaakt, die al duizenden jaren actief was geweest. Trotser en stoerder dan de gemiddelde. Ze zou zeker niet misstaan hebben als hoofdrol in een actiefilm met Pierce Brosnan. En nee, ze zou geen oogje hebben dichtknepen voor hem: ze zou niets van hem heel hebben gelaten.

De vulkaan was mooi, maar er ontbrak iets. Een vulkaan alleen op een livingtafel, dat klopte gewoon niet. Hij moest er een ondergrond voor knutselen. Een bergachtig landschap vol groen. Hier en daar een boompje uit van die parels die zijn moeder nog had verzameld. Een riviertje uit blauw geschilderde plakkaatverf en struikgewas van hele fijne takjes en schaamplukjes mos. Het landschap groeide dagelijks aan en nam nu de hele livingtafel in, er puilden zelfs stukken over de rand. Aardbeistruikjes van poepegattesnoepjes, afgebakende weien met plastieken koetjes in, een schommel in de boom, een vogeltje in een nest… Zijn vulkaan zonk er een beetje bij in het niets. Hij plaatste ze op een bergvoet en maakte ze met een paar kleine ingrepen veel imposanter. Maar nog was Michiel niet klaar voor het finale lavavuurwerk. De ingrediënten voor het lavamengsel zagen weer de binnenkant van de vulkaan niet, hij zette ze netjes terug in de keukenkast…

Uit een doosje dat hij jarenlang zonder duidelijke reden had bewaard kwam de oplossing: vier kleine modelmannetjes die in het vulkaanlandschap zouden wonen. Hij schilderde ze om ze uit elkaar te kunnen. Michiel schiep An en Mark en Frank en Betty. Beide koppeltjes kregen een huisje in de buurt. Twee kleine huisje in twee verschillende kleuren.

De vier woonden graag in het landschap. Vooral An en Mark waren niet bang voor de vulkaan, ze hielden van gevaar en gevaar lag hier nu eenmaal dagelijks gratis op de loer. Zeker de laatste dagen was de vulkaan vaker gaan grollen. Stilletjes als het neuriën van een griezelsoundtrack. ’s Avonds hoorden ze ook een zure wind blazen tegen hun huisjes. Hier en daar was er zelfs een nies te horen of een boer. Ans hartje klopte er opgewonden van. Waren dit voorbodes van het grote moment? Konden vulkanen boeren laten? An vroeg aan Frank of dit de juiste symptomen waren en of het voor binnenkort zou zijn, maar hoewel Frank specialist ter zake was, kon hij het niet met zekerheid zeggen. Hij was een luie vulkaanspecialist, hij had deze observatie alleen maar aanvaard om rustig aan zijn comic book voort te kunnen tekenen. Hij maakte zich er steeds vanaf met een tromgeroffel gevolgd door de duistere woorden: ‘vertrouw nooit een vulkaan’.

De vulkaanopdracht was voor Franks vrouw, Betty een godsgeschenk geweest. Ze wou al heel lang dood, maar was geen heldin in zelfmoord. Toen ze over het genies en geblaas van de vulkaan hoorde, had ze Frank overtuigd om te verhuizen. Die was meteen voor het idee gesmolten. Iedereen tevreden. Zeker Betty, zo kon gewoon thuis zitten wachten op haar dood, ze moest er zich zelfs niet schuldig over voelen. Het zou de fout van de vulkaan zijn. Alleen duurde het haar allemaal te lang. Het leek al eeuwen dat de vulkaan aan het briesen en snuffen was, zonder echt toe te slaan. Om het fijne van de zaak te weten, was ze op een dag helemaal naar boven geklommen. Maar ze zag niets. Ze zette haar bril op om ver te zien, maar nog zag ze tweemaal niets. Er was ook gewoon niets te zien. Geen dreigend geborrel, geen brullend gekolk, geen diepte des duivels… Alleen een groot diep gat, veel saaier dan ze had verwacht. Ze hoorde de vulkaan bijna mopperen, alsof ze zich betrapt voelde in haar naaktheid. Tot in het diepste van haar hart was Betty ontroostbaar. Ze huilde een beekje bij elkaar. Uiteindelijk maakte ze zich weer fatsoenlijk om naar de anderen terug te gaan. Ze zou hen vertellen wat ze gezien had: dat de vulkaan fake was, dat ze nooit zou uitbarsten, dat er geen gevaar was.

Dat mocht niet gebeuren. An mocht niet te weten komen dat er geen gevaar was, ze zou nooit willen blijven in Michiels paradijs. Hoe graag hij Betty ook uit haar lijden wou verlossen en hoe graag hij de vulkaan ook wou zien schitteren in al haar kracht, Michiel was zich enorm aan An gaan hechten. De rest was bijzaak geworden, zij was de ster van het vulkaandorp, van zijn leven. Voor haar had hij de uitbarsting elke dag opnieuw uitgesteld. Om nog een beetje bij haar te kunnen zijn. Haar te zien genieten van kleine dingen. Was het trouwens wel moreel verantwoord om je muze zomaar onder een doodslaag te bedekken, zomaar voor de kunst? Voor het genot van een spektakel van enkele minuten? Mocht hij wel God spelen over haar? De gedachte aan Ans zachte huid die zou verschroeien bij de aanraking met de lava, deed een rilling over zijn rug lopen. Eens de lava gestold, zou haar lichaam tot gruis verschilferen bij de minste zomerbries. Met één pits van zijn pink zou hij haar uit elkaar kunnen doen spatten. Langs zijn wang voelde Michiel een dikke traan rollen. Hij wist niet dat hij dat hij dat überhaupt in hem had, tranen. Het werd een dikke plas, bijna een meer. Nee, Michiel kon het niet. Misschien zou de vulkaan dan toch niet uitbarsten. Nee, misschien moest er helemaal niets gebeuren.

Maar dat was buiten Betty gerekend. Kordaat veegde ze de tranen uit haar ogen en stapte ze de berg weer af, tot ze door een mysterieuze windhoos werd gevangen, struikelde, werd meegesleurd naar de top en in de vulkaanmond viel. Met een felle krijs. De vulkaan slingerde een oerreutel van jewelste de wereld in. Er hing zelfs wat bloed onderaan haar kin. Als dat er niet gevaarlijk uitzag, wist Michiel het ook niet…

>> Boeski

ik geef toe dat het een beetje een vreemd, verwarrend verhaal is…

Reacties (2) »

Verhaal zoekt einde…

Snorren prikken

De vier meisjes zaten elk op een uithoek van M’s bed. Zoals afgesproken volgde nu de snelle oordeelronde. Niet nadenken, snel antwoorden. M ging als eerste: ‘Erop en erover’, zuchtte ze. ‘Hij viel al na twee tellen in slaap, haalde A vervolgens haar schouders op. ‘Het deed pijn en hij stonk, trok F haar neus op. ‘Het was fantastisch’, zei K. Haar vrolijke tekstballon zweefde nog maar net de kamer in of ze trok hem weer haastig naar zich toe en probeerde de woorden terug in haar mond te duwen. De drie andere meisjes schoten wakker uit hun eigen zelfmedelijdende roes, het wit van hun ogen haalde het voor een keer in oppervlaktepercentage van hun duistere iris en uit hun monden spurtten achtereenvolgens synchroon een ‘wat’, ‘nee?’ en een ‘echt?’. K wist dat ze dit niet had mogen zeggen, dat het tegen de regels van hun kwartet was, maar haar mond liep over van wat er in haar lichaam huisde: een prettig gevoel. Ze kon het vergelijken met in chocolade gedopte aardbeien, maar dan tien keer heftiger. Een gevoel dat ze alleszins nog nooit eerder had meegemaakt.

M, A, F en K waren al jaren vriendinnen. Hun favoriete bezigheid was samen depressief zijn, nog het liefst zwijgzaam bloedpatronen kervend op een bed met de gordijnen dicht. In zichzelf gekeerd zijn, asociaal gedrag of huilbuien vormden geen bedreiging voor hun band, elkaar aansteken met pessimistische gedachten was de sleutel van hun vriendschap. Ze waren alle vier met een zelfverklaarde ‘triestige jeugd’ gezegend, waren tot treurigheid gedoemd en hadden zich in deze situatie gesteld, genesteld zelfs. Met een fleece dekentje en een warme chocomelk. Met hun vieren was het goed zo, ze hadden elkaar en meer hadden ze ook niet nodig. Vriendjes interesseerden hen niet, die zouden alleen hun hart plattrappen als een peuk onder hun schoen. Vooral F moest meermaals jongens de huid vol schelden eer ze begrepen dat ze niet voor vlinders te vangen was. Oude zielen in een jong lichaam, zo voelden ze zich. Ze sleepten zich voort door hun bestaan, als geesten die vierhonderd jaar aan dwalen op aarde achter de rug hadden. Dat geeft al eens kromme ruggen.

Buiten die piercing in hun navel en de levensmoeheid in hun ogen, leken de meiden in niets op elkaar: M was tenger, maar duidelijk de hevigste van de vier. Ze was de leidster, nam de beslissingen over het lot van de vier en schreeuwde altijd het luidst. F was de mooiste, maar altijd slecht geluimd. Alsof ze een privédonderwolk had gereserveerd om constant rond haar te hangen. Ze had ongeluk in het spel, maar geluk in de liefde, al was dat het laatste waar ze aan dacht. A was de donkerste. Niet alleen van huid, maar ook van gedachten. Ze dweepte met hekserij en droeg van die lange gothic gewaden, die ze soms over haar hoofd trok als ze het moeilijk kreeg. Het zorgde vaak voor misverstanden. K was de normaalste. Ze was het laatst bij het groepje bijgekomen en had niet echt een trauma. Ze was alleen nogal een doemdenker. Haar duisternis lag vooral in haar onzekerheid. Een puist kon haar week vergallen. Een ruzie haar jaar. Liefdesverdriet haar jeugd.

Op een zwoele zomeravond na school viel het gesprek op seks. Als ze jongens buiten hun clubje wouden houden, dan zou dit voor een probleem zorgen: ze konden geen maagd blijven, nee het liefst moest en zou dat vlies zo snel mogelijk gebroken worden. Als een statement tegenover hun verwekkers, als afrekening met hun kindertijd, maar vooral als een rechtzetting van de verkeerde afstelling tussen hun mentale en lichamelijke leeftijd. Ze sloten daarom een pact. Waar jongeren zich normaal aansloten bij een ‘geen seks voor het huwelijk’-groepering, hadden zij een omgekeerd plan bedacht, een ‘collectieve ontmaagding’. Ze zouden naar een andere stad gaan waar ze niemand kenden, een willekeurig danscafé binnengaan en vier kerels uitpikken. Ze zouden die avond samen voor het eerst met een jongen naar bed gaan, om ervan af te zijn, om deze nare gebeurtenis samen te kunnen delen. Als bloedzusters.

Gekleed in het roze en zwart, omhangen met elk een schuilnaam die op een –y eindigde (Maddy, Fabby, Amy en Kimberly) en met een reuzegroot ei in hun string trokken ze naar de bar. Zorgvuldig pikten ze de jongens eruit. Ze moesten aan bepaalde voorwaarden voldoen: ze mochten geen lief hebben, dat zou problemen geven. Ze mochten niet al te knap zijn, zodat ze zich niet zouden gaan hechten en ze mochten geen snor hebben, want snorren prikken naar het schijnt bij het kussen. A mocht eerst kiezen, ze pikte er een stoere macho uit die binnen het profiel paste: snel vergeetbaar. M en F gingen voor twee broers die vooral hun klungeligheid gemeen hadden. K was nerveuzer dan de anderen. Ze keek de hele tijd in de richting van het toilet. Daar stond een jongen ietwat verlegen met zijn trui tussen duim en wijsvinger stond te wrijven. ‘Wil je die daar?’, vroeg M. K wist niet waar ze moest kijken en rolde met haar ogen naar alle wegen, behalve de kruispunten met haar vriendinnen. ‘Als het moet’, had K zo nonchalant mogelijk geklonken. F kneep haar ogen samen om hem nauwkeuriger te kunnen bekijken. Eigenlijk moest ze al lang een bril. ‘Hij heeft wel beharing op zijn lip, denk ik’, zei F. ‘Maar een echte snor is het ook nog niet. Ok, hij kan ermee door’. De drie vriendinnen gaven hun goedkeurende knikje en dat was als een verlossing gekomen. K’s hart vloog als een botsbal meermaals heen en weer tussen vloer en bezwete plafond.

Ze had het spel niet eerlijk gespeeld en dat deden haar handen zweten en haar billen samenknijpen. Ze kende de jongen met de pluisjestrui. Hij had haar enkele weken geleden een vuurtje gevraagd en ze hadden wat staan babbelen. Ze hadden telefoonnummers uitgewisseld, maar K had er verder geen bijbedoelingen bij gehad. Jongens, daar deden ze niet aan. Tot ze na drie keer het papiertje met het telefoonnummer nog niet had kunnen weggooien en de jongen verdacht veel op haar netvlies verscheen, zonder dat ze hem zelf voor de geest haalde. Na drie dagen durfde ze hem te bellen en weer kletsten ze als gekken. Haar oor deed er pijn van. Ze praatten over superkrachten van striphelden, het verstand van goudvissen en de economische crisis. Hij scheen het leven helemaal niet zo hard te vinden, kon zelfs een paar voordelen van jong zijn opnoemen. K was onder de indruk en toen de meisjes met het ontmaagdingsplan kwamen, had ze een geheime afspraak gemaakt met haar jongen.

Hij acteerde goed, ze moest het toegeven. Hij kopieerde het stoere gedrag van de andere drie jongens perfect: bier zuipen, de meisjes in hun billen knijpen en vet knipogen naar elkaar, want ze zouden van bil gaan vanavond. In de hostel scheiden de meisjes hun wegen en gingen ze elk hun kamer binnen. Ze hadden na twee uur op M’s kamer afgesproken om de gebeurtenissen te bespreken. Twee uur leek K lang en kort tegelijk. Haar jongen glimlachte, vroeg of hij het goed had gedaan. K knikte en trok hem tegen zich aan. Hij kende de weg, die hadden ze aan de telefoon al uitgestippeld. De doodlopende straatjes die hij niet moest uitproberen, de mooiste paadjes en de hoofdingang. Perfect was het niet geweest, maar K voelde implosies in haar hoofd en tussen haar benen, die ze niet voor mogelijk had kunnen houden.

K staarde met haar hoofd op vijf na zeven naar het plafond. Waarnaar zat ze zo te lachen? M knipte driemaal met haar vingers om K uit haar dagdroom te halen. ‘Fantastisch? En wij maar liggen afzien?’ Daarvoor waren ze niet op de wereld gezet, ze waren de musketiers van de miserie, de belijdsters van de tristesse! K zakte steeds dieper de grond in, tot ….

Hoe moet het verder? Kunnen emo’s ooit gelukkig zijn? Laat ik het haar uitmaken met haar vriendje en voor haar vriendinnen kiezen? Maak ik het tragisch? Suggesties zijn welkom…Merci!

 >> Boeski

Reacties (6) »

WALVIS (3)

Nee, de gedachte ingeslikt te worden door welk beest dan ook is niet fijn te noemen, maar ik maakte mezelf wijs dat ik in een pretparkattractie zat. De beroemde ‘Whaleride’ in Disney Land, een sensatie waar je oren van suizen en je ogen van gaan blinken! Ik gleed vlotjes tot in het ondiepe gedeelte van mijn walvis. M’n attente date had een klein houten bootje voor zijn bezoek voorzien. Binnenin was het heel donker, maar gelukkig had Jason ook een kaars en wat lucifers ingeslikt, die ik dankbaar aanstak. Ik wist niet waar ik moest beginnen. Ik speelde eerst even met de baleinen, probeerde wat fa sol la si do’s te harpen en keek dan pas rond in de rest van het vertrek. Het was groot, ik kon het plafond in geen miljoen jaar raken en mijn echo keerde pas na tien tellen terug. Ik voelde dat Jason vereerd was met mijn bezoek. De lucht zinderde en hij hield zich rustig om mijn bootje niet te doen kapseizen. Ik trok op excursie doorheen zijn hele lichaam. Ik telde zijn ribben. Verbaasde me over de uitstekende machinerie die hier binnenin de boel draaiende hield. Amuseerde me kostelijk met het spuitgat. En vond uiteindelijk een surimizacht plekje op zijn tong, waar ik mijn ogen even dichtdeed en ik in de hemel belandde. Hij zong voor mij. Mijn walvis zong een opera van Puccini. Of toch iets dat er op leek. Ik kreeg er kippenvel van. Ik sloot mijn dagtrip af met nog een paar uur oceaankijken door zijn ogen. Visjes die tl-lampjes leken te hebben ingeslikt, haaien met hamers als neuzen, dansende zeeanemonen, zeepaardjes met de hik, Nemo en papa, mama, neefjes en achterneefjes, kleuterscholen vissen en veel toekomstige fishsticks. Ik dacht niet dat ik ooit nog iets magischer zou zien.

 

Het afscheid was nakend, we hadden er allebei geen zin in. Hij wou me nog meer laten zien en ik wou nog meer betoverd worden. Maar ik had morgen een afspraak met de tandarts (zeker twee gaatjes van te veel te snoepen), dus verliet ik mijn walvis zoals het hoorde: met een nies. Ik landde zonder kleerscheuren of gebroken botten op mijn schip. We waren echt geen kampioen in afscheid nemen, we verloren steeds opnieuw. Jason vroeg of hij ook bij mij mocht komen logeren, maar we wisten allebei dat dat te krap zou zijn en dat het tot ziens, tot nooit meer, misschien tot in onze dromen was. Hij bleef nog een beetje rondzwemmen. Ik bleef nog een beetje nawuiven. Met een opkomende griep, een dubbele oorontsteking langs weerskanten, een kou op mijn rug, een riskante onderkoeling, maar ook een hart van wel vijfhonderd kilogram.

>> Boeski

Laat een reactie achter

WALVIS (2)

Ja, ik was streng geweest in het selecteren van de juiste walvis. Maar dat kon je van hem evengoed zeggen. We hadden het allebei goed voorbereid, mijn walvis en ik, we wilden niet voor onaangename verrassingen komen te staan. Ik had zo mijn eisen: ik wou zeker geen orka of een walvis met tanden, wel één met baleinen, die zijn poëtischer. Die bijten niet, die zeven. Uiteindelijk kwam ik uit bij Jason, een gezonde blauwe vinvis van 35 jaar en 21 meter lang. Hij hield van veelvuldig sociaal contact en onderhield een grote vriendenkring. Natuurlijk heb ik voor de zekerheid zijn facebookprofiel gecheckt en dat bevestigde zijn beweringen: hij had inderdaad veel vrienden en was bovendien lid van stoere groepen als ‘wij durven naast plankton ook kleine visjes eten’, ‘awoert aan de agressieve, clichématige voorstelling van walvissen in films’ en ‘geen kunstmatige eilandengroep boven onze kop’… Mijn toekomstige vriend was nog geëngageerd ook. Hoe hij bij mij terecht gekomen is, weet ik niet, maar hij moet veel verbeeldingskracht gehad hebben. Veel meer dan ‘mijn lievelingsdier is een walvis’ kon je immers niet uit mijn profiel opmaken.

 

 

De communicatie verliep nogal stroef – walvissen weigeren consequent om Nederlands te leren en onderwatertaal vraagt veel ontcijfergeduld- , maar uiteindelijk vonden we een tijdstip en een dag die voor ons beiden goed uitkwamen. We spraken af aan de 54ste graad noorderbreedte. Ik had een rode tulp in mijn haar gespeld (de rozen waren uitverkocht), hij had niets speciaals voorzien. 21 meter Free Willyvlees zou ik wel zien aankomen. Ik was zenuwachtig, wist niet goed waaraan ik mij moest verwachten. Zou hij wel goed van inborst zijn? Of was dat met een hart van bij de 500 kilogram een retorische vraag? Ik zette me peinzend op mijn hurkje, met mijn linkeroor naar de zee gericht. Het rustige ruisen werd plots onderbroken door een iel gefluit, het leek op dat van een mens, maar het kwam duidelijk vanuit het water. Dat klotste heviger dan anders. Er kwam iets te voorschijn. Toen ik Jason zag, deed ik het bijna in mijn broek. Adrenaline klopte overuren doorheen mijn lijf en zelfs een beetje daarbuiten. Ik moest net niet kotsen. Hij was groot! Ongelooflijk! Hij paste zelfs niet helemaal in mijn gezichtsveld, ik moest op mijn scheepje enkele stappen achteruit zetten en van links naar rechts kijken om hem helemaal in me op te kunnen nemen. Er kwam geen einde aan.

 

 

Hoewel ik toch maar een stipje was in zijn vizier, had hij me vrij snel in het snotje. We groetten elkaar verlegen: ik met een kleine handzwaai, hij blies voor mij een fonteintje van drie etages. Dan kwam hij dichterbij. Ik boog nog maar voorover of hij sprong plots enkele meters omhoog en probeerde me op te eten. Daar had je het al. Toch van slechte wil, die willy’s. Ik kon nog net terugdeinzen, maar besefte meteen ook wat zijn bedoeling was. Hij had natuurlijk gelijk. Om in hem te geraken en op zijn sofa te kunnen slapen, moest hij me natuurlijk inslikken. Hoe was Pinokkio anders in de walvis geraakt? Niet via een geheim achterdeurtje alleszins. Met de sussende gedachte aan Pinokkio in mijn achterhoofd (die kleine was er alleen maar beter van geworden), durfde ik uiteindelijk toch mijn verstand uit en mijn lef aan te schakelen. Jason kwam net onder mij hangen. Ik probeerde nog onder zijn baard te kriebelen om wat tijd te winnen, maar hij was nog veel te ver. Ik legde dan maar trillend mijn benen over de leuning en kroop in titanic-houding op het schip. Met mijn ogen stijfdicht en mijn neus toe waagde ik de dodensprong. Bek open, bibi erin.

 

wordt vervolgd

 

>> Boeski

Commentaar (1) »

WALVIS (1)

dsc00265

Ik was het wachten beu. In de zoo zouden ze er toch nooit één publiekelijk tonen en de kans dat er op een dag me één vanuit de Coupure zou nafluiten was nul komma nul nul een. Ik wou zo graag eens een echte walvis zien in mijn leven, mijn fantasie aan de werkelijkheid toetsen. In mijn verbeelding had ik er namelijk al verschillende persoonlijk ontmoet en we werden steeds dikke maatjes. Dan ging ik mee op planktonjacht en voer ik op hun rug de oneindigheid tegemoet. Mijn vrienden werden er lichtjes gek van: steeds weer ‘een walvis’ op het verlanglijstje voor mijn verjaardag, die vervelende cd vol walvisgezangen als achtergrondmuziek tijdens onze Yathzee-avonden… Ik kon aan niets anders meer denken, zelfs niet aan paaseitjes met van die bolletjes in. Het was hoog tijd om in te grijpen.

 

Tijdens mijn dagelijkse surftocht op het internet, stootte ik uiteindelijk op de oplossing voor mijn obsessie: couchsurfing.com. U kent het fenomeen wel: mensen uit alle uithoeken van deze godverdomse bol bieden er hun woonst aan en jij kan als reiziger gratis op hun zetel overnachten. Wat heeft dat met walvissen te maken? In een geheim gehouden plooi van deze website ontdekte ik een plekje gereserveerd voor meubilairuitwisselingen tussen mens en dier. Je zou ervan versteld staan hoeveel okapi’s dromen van een partnerruil met een poetsvrouw, hoeveel lama’s samen het nachtleven in willen duiken met een groepje studenten en hoeveel walvissen graag eens een meisje als ik over hun vochtige vloer zouden krijgen. Ik sprong een gat in de lucht. Mijn ontdekking betekende dat ik niet zomaar op z’n Loch Nessies een vage glimp zou opvangen van het meest indrukwekkende zoogdier ter wereld, ik zou er gewoon zelf een worden. Op zijn tongzachte sofa slapen, met mijn handen in zijn vinnen passen, mijn snot door zijn neusgat spuiten, mijn stempel drukken op zijn springchoreografie. En bovenal de vrijheid proeven die aan land nu eenmaal altijd een zure nasmaak heeft.

 

wordt vervolgd…

 

>> Boeski

Reacties (2) »

PUMPS.

contrast

Twee glansrode pumps. Ze draaien als ballerina’s rond op een roterend platformpje. Zoë kleeft met haar neus tegen de etalageruit. Ze staat er al een tijdje, roerloos en zonder te knipperen, de ruit aan te dampen. Ze wil ze gewoon even voelen. Eventjes vasthouden en dan netjes terugzetten. Gehypnotiseerd door de duizeligmakende schoenen stapt ze de winkel binnen. Ze geeft zichzelf zestig seconden bewondertijd. Een minuut lang aait ze de rode schoenen uit de etalage. Ze voelt aan hun dunne hak, verleidelijke neus, streelt het gladde leer. Het afscheid is nakend, maar net wanneer ze hen terug in de etalage wil neerzetten, springen de schoenen uit haar handen de grond op en beginnen als een kat langs haar benen te vleien. Zoë kijkt angstig om zich heen, maar de andere klanten krijgen plots allemaal een bloedneus. Zoë probeert de pumps hardnekkig te negeren, ze loopt de hele winkel rond, kijkt geïnteresseerd naar andere, lelijke schoenen, maar hen afschudden, lukt haar niet. “Ksst, stoute schoenen!”, sist ze hen toe, maar de schoenen blijven vrolijk achter haar aan trippelen en door haar gedachten wandelen. Zelfs wanneer ze naar buiten wil lopen, volgen ze trouw haar pas. Natuurlijk begint het alarm hevig van zijn oren te maken en kleurt Zoë zo rood als de schoenen. Hoe moet ze dit in godsnaam uitleggen? Ik moest wel weglopen, want ze gingen mij aanvallen? De winkeljuf is gelukkig druk aan het telefoneren en gebaart met haar lange nagels dat ze terug moet binnenkomen. Zoë stapt met tien kilo schaamte op haar tere schouders de shop terug binnen. De rode schoenen hinkstappen trouw achter haar aan, gaan hijgend op zoek naar een schoenlepel en schoppen hem speels voor de voeten van Zoë. Zij zucht, gaat zitten op een pasbankje en bekijkt de hakjes vertwijfeld van op een afstand. Die staan te smeken in de meest onschuldige benenpose: Toe! Trek mij aan! Even maar…

En dan gaat alles snel. Zoë schopt haar baskets uit, zwiert de kousen van haar voeten en hijst zich met de schoenlepel in de pumps. Ze waagt meteen enkele passen op de catwalk, een perfecte rechte lijn vooruit. Ze kijkt in de voetenspiegel, ziet zichzelf stralen en de andere klanten bevestigend knikken. Zoë voelt hoe iedereen haar bewondert. Eerst stilletjes, daarna steeds meer uitgelaten: ze klappen in hun handen, strooien complimenten als confetti over haar uit en smijten met slingers van bejubelende bijvoeglijke naamwoorden. Zoë voelt zich mooi. Ze voelt zich spectaculair mooi. Ze voelt zich pretty oh so pretty. “Zoë, meisje,” denkt ze bij zichzelf, “dit is een kans die je niet mag missen, zo fantastisch ga je je nooit meer voelen, kopen die handel!”

Wanneer ze honderd euro later terug buiten staat, wordt ze zich met een vingerknip bewust van wat ze net heeft uitgespookt: ze heeft zichzelf weer eens goed liggen gehad. Schoenen die flemen als katten? Vrouwen die complimenten als confetti uitdelen? Wat ze tegenwoordig zichzelf allemaal niet moet wijsmaken om zonder schuldgevoel haar zoveelste paar schoenen te kunnen kopen. Het begint echt ziekelijk te worden.

Nu te lezen op ‘Everything is a story’

>> Boeski

Fotograaf : Niko Caignie

Reacties (2) »

FAKEN. Een kortverhaal.

Het moment was ideaal. Het had hevig gevroren en het voetpad lag glad genoeg. Ik had kunnen uitglijden. Mijn vriend zou me naar huis gedragen hebben, me verzorgd hebben, me sussend door de haren gestreken hebben. De uitstekende tegel was het perfecte excuus, maar ik veranderde op de laatste seconde van gedacht. Ik zag ineens erg op tegen de blikschade. Blauwe plekken die alle regenboogkleuren van de wereld zouden ondergaan, misschien zelfs een scheur in mijn favoriete broek of een been in de gips. Ik had nog tijd. Het hoefde nu ook niet elke dag prijs te zijn. Of spectaculair te zijn, zolang het er maar spontaan en geloofwaardig uitzag.

 

Nu heb ik gemakkelijk praten. Ik weet ondertussen de juiste gelegenheden vast te grijpen, maar dat was ooit anders. Mijn eerste stappen in stuntelland waren veel te doorzichtig. Ik zei al ‘au’ nog vóór ik tegen de deur liep of liet een vaas vallen en ving ze uit reflex toch weer zelf op. Beginnersfouten. Het was voor mij ook zo tegennatuurlijk om tegen mijn perfectie in te gaan. Ik heb hard moeten zwoegen om te komen waar ik nu sta, maar het is gelukt. Ik ben er al die slapstickacteurs en clowns enorm door gaan bewonderen. Spontaan struikelen is een kunst waarvoor niet iedereen in de wieg is gelegd, het is een techniek waar je lang en vaak op moet oefenen. Die gedragspsychologe was alleszins geen overbodige luxe.

 

Ik heb lang getwijfeld over de inferieure eigenschap die ik mezelf zou aanmeten. Vraatzucht zou me dik maken, tot naïviteit kon ik me niet verlagen en liegen was een te riskante aanpak. Na heel wat research over de gebreken en hoofdzonden van de mens, bleef ik over met twee uitdagingen: jaloezie en onhandigheid, ze leken mij allebei vrij gemakkelijk te faken. Jaloersheid zag ik genoeg rondom mij, iedereen wou zijn zoals ik. Ik heb het groene beestje een tijdje uitgetest op mijn vorige vriend. Doen alsof het me stoorde dat hij naar andere vrouwen keek of afgeven op vrouwen met smallere kuiten, maar het lukte niet. De aanpassing was te ingrijpend. Het was geen eigenschap die ik er eventjes bij kon nemen, ik moest mijn hele persoonlijkheid aanpassen. Ik moest mezelf constant de vraag stellen wat een jaloerse vrouw in mijn schoenen zou doen, want zelf voelde ik zo’n buien nooit opkomen. Ik had er geen feeling mee en het was vermoeiend. Ik ben er uiteindelijk op miraculeuze wijze van genezen. Mijn vriend begreep er niets van, maar ik was het beu. Natuurlijk raakte het uit. Een vrouw zonder gebreken kan nu eenmaal geen lief houden. Ze vormt een grotere bedreiging voor zijn mannelijkheid dan een oprukkende meteoriet die met een GPS-functie ingesteld op zijn huis.

 

Met mijn huidige vriend lukt het perfect sinds ik op onhandigheid ben overgeschakeld. Hij heeft geen flauw benul van welk superras ik afstam, weet niet dat ik zodanig genetisch gemanipuleerd ben, dat ik perfect geboren ben: bloedmooi, gezond, foutloos en oneindig slim. Mijn vriend vindt mijn onhandigheid vertederend.

 

Ik sta groentjes te snijden. Mijn aardappelmesje is nieuw en nog veel te scherp. ‘Pas er maar mee op’, had mijn vriend nog gezegd. Ik weet dat ik ga uitschieten. Mijn bloed loopt zo hard het kan naar het ramptoeristengebied, staat te drummen bij de crimescene, alsof het de eerste keer is dat het een snijwond ziet. Dat heb ik weer mooi gedaan. Net diep genoeg om hard te bloeden en er dramatisch uit te zien. Ik dep en dep witte papieren zakdoekjes rood. Als de wonde gestopt is met bloeden, kan ik het niet laten om met de snee de liedjes op de radio mee te lippen. Het is hilarisch. Maar de pret moet uit. Ik kleef een plakker rond mijn vingertop, zet me op het balkon en rook een sigaretje met mijn andere hand. Straks zal mijn vriend thuiskomen en dan zal ik hem de pleister tonen. Hij zal er een kusje op geven.

 

 

>> Boeski

 

Reacties (2) »

Tweede op kortverhalenwedstrijd cjp!

hetverhaal

(…) Al van sinds ik tot een klavertje vier kan tellen, laat ik nooit een kans onbenut om mijn geluk een handje te helpen. Ik blijf binnen op vrijdagen met een dertien in, hou mijn houten kop vast, loop in een bocht rond een ladder, spuit witte stippen op zwarte katten en doe wensen met wimpers. (…)

Op de laatste snik nog deelgenomen aan de kortverhalenwedstrijd van cjp dit jaar en ik was al héél verheugd om van de driehonderd-en-een-sjiek deelnemers bij de 20 beste te zijn. Ik begon dan ook efkes te flippen toen ik tijdens de persconferentie op de boekenbeurs mijn verhaal ‘Wimpers’ uit de mond van Iris Koppe hoorde rollen, door Rik Torfs bestoefd werd om de ‘gruwelijk vlotte leesbaarheid’ van mijn verhaal en door het publiek als tweede werd gekozen uit de drie beste verhalen.  Zoiets geeft toch een serieuze adrenalinestoot :-) De foto’s zullen weer op geen ballen trekken -Boeski freezt als fototoestellen in de buurt komen- , maar denk dan dat ik binnenin wél héél gelukkig was/ben!

Mijn verhaal staat op de site van cjp.  

 >> blije Boeski.

ps: ik ben gekust door Renske de Greef! Halleluja!

ps2: gewonnen: vliegtuigtickets Barcelona, weekendje Amsterdam, doos met twintig boeken, boekenbon! de moeite!

ps3: om half zeven ’s morgens op radio 2 geweest

ps4: wimperwensen komen uit!

ps5: geen idee hoe het nu verder moet met mijn schrijven

Reacties (7) »

Hij durft!

Hij krabt achter zijn oor. Ik gaap. Zo zitten we daar elke dag. Elke dag zeventien minuten lang, niet naar elkaar te kijken…

Vorig jaar liet ik mijn fantasie (of werkelijkheid?) de vrije loop in een kortverhaal, het won een wedstrijd en eindigde op schoot bij Bert Anciaux, die het smakelijk en enthousiast insprak op een cd’tje. Beluister hier mijn verhaal over kijken en vooral niet kijken.

http://www.gobots.be/items.php?p=5DJOP8DK

Scroll naar onder naar ‘Hij durft’ van Barbara Van Ransbeeck en draai er op uw netvlies uw eigen filmpje bij af.

 >> Boeski

Laat een reactie achter